Ce bestiaire étonnant fait dialoguer l'animal et l’être humain, en promenant le lecteur à travers la faune et l’histoire de l’art. Il illustre des relations complexes, faites de curiosité, de peur parfois. Pour certains animaux, une collaboration plus que millénaire par la domestication. Pour d’autres, un respect qui tient parfois de la fascination. Cette très longue histoire commune se manifeste dans l’art de tous les pays et de toutes les époques. Sur les parois des grottes, l’animal a été le premier sujet des représentations artistiques. Mais au fur et à mesure que la science évoluait, que la magie faisait place à la connaissance, l’animal a pris une place considérable dans l’étude scientifique. Aujourd’hui, exotique ou trompeusement familier, il ne cesse pas de nous étonner. Et la magie n’a pas tout à fait disparu...
Vorwort................................................................................................................. 7
Uitdrukkingen, spreekwoorden en vergelijkingen...................... 13
Oefeningen....................................................................................................... 189
Uitdrukkingen............................................................................................ 189
1. Invuloefeningen.......................................................................................... 189
1.1. Niveau .............................................................................................. 189
1.1.1. Vul de correcte werkwoordsvorm in.......................................... 189
1.1.2. Vul het correcte zelfstandig naamwoord in ............................... 191
1.1.3. Vul het ontbrekende woord in ................................................... 193
1.1.4. Vul het voorzetsel in.................................................................. 197
1.2. Niveau .............................................................................................. 203
1.2.1. Vul de ontbrekende werkwoordsvorm in................................... 203
1.2.2. Vul het ontbrekende zelfstandig naamwoord in......................... 205
1.2.3. Vul het ontbrekende woord in ................................................... 207
1.2.4. Vul het voorzetsel in.................................................................. 209
1.3. Maak de onderstaande zinnen af. Maak hiervoor een keuze uit één
van de vier oplossingen. ..................................................................... 214
2. Combinatieoefeningen .............................................................................. 227
2.1. Verbind beide kolommen ..................................................................... 227
2.2. Welke uitdrukking uit de tweede kolom is bijna synoniem /
semantisch verwant met een uitdrukking uit de eerste kolom? ........... 236
2.3. Welke omschrijving uit de tweede kolom past bij een uitdrukking
uit de eerste kolom?............................................................................ 238
2.4. Vorm uitdrukkingen aan de hand van de verschillende kolommen. ..... 242
3. Omschrijven en vertalen........................................................................... 244
3.1. Thematische oefeningen ....................................................................... 244
3.1.1. Omschrijf en vertaal de volgende uitdrukkingen waarin een
lichaamsdeel voorkomt.............................................................. 244
3.1.2. Omschrijf en vertaal de volgende uitdrukkingen waarin een
diernaam voorkomt.................................................................... 245
3.1.3. Omschrijf en vertaal de volgende uitdrukkingen waarin een
kledingstuk voorkomt ................................................................ 245
3.1.4. Omschrijf en vertaal de volgende uitdrukkingen waarin een
vrucht/groente voorkomt ........................................................... 246
3.2. Vertaal de volgende uitdrukkingen in het Nederlands.......................... 246
3.3. Vertaal de volgende werkwoorden of werkwoordelijke verbindingen
door een Nederlandse uitdrukking...................................................... 248
4. Uitdrukkingen die in Vlaanderen worden gebruikt.............................. 249
Spreekwoorden .......................................................................................... 253
1. Vervolledig de volgende spreekwoorden ............................................... 253
2. Welk spreekwoord past bij de volgende omschrijvingen?................... 254
3. Vertaal de volgende Duitse spreekwoorden in het Nederlands.......... 255
Vergelijkingen ............................................................................................ 257
1. Invuloefeningen.......................................................................................... 257
1.1. Vul de ontbrekende woorden in............................................................ 257
1.2. Vul de ontbrekende adjectieven in. ...................................................... 258
1.3. Vul de ontbrekende woorden in............................................................ 259
1.4. Vul de ontbrekende infinitieven in. ...................................................... 259
2. Samengestelde adjectieven....................................................................... 260
3. Maak............................................................................................................ 264
3. a) een vergelijking van het type "zo + adj. + als (Ø/een/de/het) subst.".. 264
3. b) samengestelde adjectieven van het type “spierwit” ............................. 264
Verzeichnis ...................................................................................................... 265